Nieuwe cijfers tonen belang van toegankelijke zorg bij eetproblemen
Bijna één op de vijf Vlamingen krijgt ooit te maken met eetbuien of purgeergedrag. Dat blijkt uit nieuwe resultaten van de Public Mental Health Monitor, een interuniversitaire leerstoel gefinancierd door Zorgnet-Icuro.
Het onderzoek toont dat eetbuien en purgeergedrag vaker voorkomen dan algemeen wordt aangenomen. Ze komen niet alleen voor bij duidelijke diagnoses zoals anorexia of boulimia. Ook minder zichtbare signalen kunnen wijzen op onderliggend psychisch lijden.
Volgens het onderzoek hangen eetbuien en purgeergedrag vaak samen met andere mentale gezondheidsproblemen, zoals depressieve klachten, posttraumatische stress of suïcidale gedachten. Toch zoekt slechts een minderheid van de mensen professionele hulp. Wie dat wel doet, wacht gemiddeld vaak lang vooraleer die stap te zetten.
Belangrijke stappen vooruit
De voorbije jaren zijn er in de zorg voor eetstoornissen belangrijke stappen gezet. Dankzij bijkomende middelen vanuit de overheid is meer betaalbare zorg mogelijk voor jongeren met een eetstoornis. Ook binnen het referentiecentrum eetstoornissen van AZT werd de zorg verder uitgebouwd, onder meer door naast het residentiële aanbod te starten met een daggroep en een MAST C-werking, en de multifamily-therapie uit te breiden.
“Er zijn al veel goede stappen gezet. De extra middelen maken echt een verschil voor jongeren en hun omgeving”, zegt John Ros, teamcoördinator eetherstel bij AZT.
Tegelijk wijst hij op een belangrijke uitdaging. De terugbetaalde zorgtrajecten richten zich op jongeren tot en met 23 jaar. In de praktijk ziet AZT echter ook een toenemende zorgvraag bij 23-plussers.
Ook 23-plussers hebben zorg nodig
Veel mensen wachten lang om hulp te zoeken. Volgens het onderzoek duurt het gemiddeld meer dan tien jaar voor iemand professionele hulp krijgt.
“Als een eetstoornis vaak rond de leeftijd van 14 jaar ontstaat en iemand gemiddeld pas 10 jaar later hulp zoekt, dan is die persoon intussen 24. Net dan dreigt hij of zij uit de boot te vallen voor financiële ondersteuning”, zegt John Ros.
Voor AZT is dat een belangrijk aandachtspunt. De bijkomende middelen voor jongeren zijn zeer waardevol, maar de zorgnoden stoppen niet op 23 jaar.
“De bijkomende middelen voor de jongere leeftijdsgroep zijn heel goed, maar we mogen de andere groep niet vergeten. We zien een toenemende zorgvraag bij 23-plussers en ouderen. Ook zij stoten nog vaak op de drempel van financieel betaalbare zorg”, zegt John Ros.
MAST C-team toegankelijk voor alle leeftijden
Met de bijkomende middelen kon AZT de werking rond eetstoornissen verder versterken. Zo werd onder meer het MAST C-team uitgebouwd en kwam er dagtherapie bij.
AZT kiest er bewust voor om het MAST C-team toegankelijk te maken voor alle leeftijden. Ook meerderjarigen kunnen er terecht, ondanks het feit dat de middelen voorzien zijn voor jongeren.
“We nemen meerderjarigen erbij omdat we inclusief willen werken. Voor minderjarigen krijgen we extra middelen. Voor meerderjarigen doen we meer dan wat ons gevraagd wordt, zodat ook zij ondersteuning kunnen krijgen”, zegt John Ros.
Vroeg praten maakt verschil
Eetproblemen gaan vaak gepaard met schaamte. Daardoor blijven signalen soms lang verborgen. Net daarom is het belangrijk om bezorgdheden niet weg te duwen, maar bespreekbaar te maken op een rustige en niet-oordelende manier.
Wie zich zorgen maakt over zichzelf of iemand in de omgeving, kan terecht bij de huisarts of een zorgverlener. Vroeg praten over eetgedrag, spanning of controleverlies kan helpen om problemen sneller te herkennen en gepaste ondersteuning te vinden.
AZT blijft inzetten op warme, deskundige en toegankelijke zorg voor mensen met eetproblemen en hun omgeving.
Meer weten? Lees hier het nieuwsartikel van VRT Nieuws of herbeluister het interview met John Ros via VRT Max.